Ga naar de inhoud

04Anton Corbijn

Achterbank

Een Belg op weg naar een Hollandse kop in het Noorden.

De Moerdijk over, met telkens een portret tot gevolg, op het ritme van de maan. Lichtjes bergaf rijdend op weg, naar een bekende of halfbekende inwoner van een land, waar hun voeten ter hoogte van de zeespiegel staan. Een kunstenaar, sportman, acteur, wetenschapper, muzikant, schrijver of wie dan ook. Maatschappelijk relevant of van een draaglijke lichtheid.

Slechts één vereiste: overtuiging. Iemand met overgave in wat hij of zij doet. Na de foto wil ik hem de handschudden of haar op de wang kussen, maar vooral met een latent beeld tevreden mijn vaderland weer binnen rijden.  Met een Nederlander die ik pas terug zal zien in de rode schijn van mijn donkerekamerlamp, drijvend op een velletje lichtgevoelig papier.

De keuze van de bekende ‘Ollander’ zal zonder een aanwijsbare reden zijn. Niet na een opdracht via de telefoon van een fotoredacteur. Lukraak, maar hopelijk wel doeltreffend. De allereerste en de allerlaatste foto zal ik met schroom klein tonen. Daarnaast een groot beeld, hopend op ‘het beeld’, wat dat dan ook moge betekenen. En een klein begeleidend tekstje dat iets of niets vertelt over de vreemde gebeurtenis van de ontmoeting. Gedachten, bedenkingen en onzin tussen de eerste klik en het wegbergen van het laatste filmrolletje in mijn fototas.

En dan een tekst van een fotograaf die niet alleen in zijn foto’s maar ook even in de donkere kamer van zijn hoofd laat kijken.

Als eerste in de reeks: fotograaf Anton Corbijn. De bekendste fotograaf van de Lage Landen.

Fotografen fotograferen. Dit ruikt naar inteelt. Ik heb maar twee handen nodig om de fotografen te tellen die ik ooit voor mijn lens heb gehad. Sommigen doen het met verbazend gemak, anderen huiveren bij de gedachte. Iedere beweging, ieder toestel, iedere keuze herkent de geportretteerde fotograaf. Je voelt je meer bekeken dan jij hem bekijkt. Zoals een briljante tegenschaker die je zet meteen doorziet. Een fotograaf voor je lens is altijd een beetje een Kasparov fotograferen. Vaak schaakmat, hooguit remise. ‘Less is more’, fluistert Anton me toe wanneer hij met zijn grote gestalte voor mijn lens staat.

Muts en bril: te veel voor een mensenhoofd. Gelijk heeft hij. Wat niet hoeft, mag weg. Muts of bril?

De bril verliest. Want geen neerslag of wind mag zijn lichaam teisteren, vanwege een taaie longontsteking. In de warmste meimaand sinds mensenheugenis moet ik net die ene dag uitkiezen waarop het regent en waait. Met Anton op weg naar het strand van Scheveningen om hem daar te fotograferen, spat mijn verlangen te pletter met de regendruppels op de voorruit van de wagen. Ik vervloek alle airco’s in de vliegtuigen en hotels die de wegen van Antons longen kruisten. Dat zijn er behoorlijk wat.

Op de terugweg staat mijn redding geparkeerd aan de kant van de straat. Een metallic bronzen Pontiac Grand Ville uit 1973. Ik twijfel, vertraag en besluit om te keren. ‘Een zittende Anton onder een dak is beter dan staand in de wind’, bedenk ik me.

Of ik het interieur van zijn auto even mag lenen, vraag ik met mijn Vlaamse accent aan de eigenaar. Na een gefronste wenkbrauw en de verificatie van mijn identiteitskaart krijg ik toestemming. In dit land is mijn ‘exotische’ afkomst misschien een voordeel.

Corbijn nestelt zich op de wit lederen zetels op de achterbank. Droog, comfortabel en nog een streling voor het oog ook.

Niets zo prikkelend als de achterbank van een auto. Ik denk aan de liefde die er ongetwijfeld moet zijn bedreven en aan de huilende kinderen die na dit liefdesspel misschien werden geboren vanwege een ontbrekend condoom.

Niets zo erotisch als een vrouw alleen op de achterbank met een chauffeur aan het stuur. Bij mannen op de achterbank denk ik aan Franse misdaadfilms. Aan Alain Delon en Lino Ventura met geluiddempers op hun pistolen verstopt in hun stijlvolle zwarte maatpakken. Maar nu zit de 55-jarige fotograaf verstopt in zijn lange jas op de achterbank. Met zijn muts en grijze stoppelbaard doet hij me even denken aan de huurmoordenaar Clooney in de beginscènes in Zweden van zijn film The American. Zelfde muts, zelfde stoppelbaard, maar net een tikkeltje minder sexappeal dan onze George. Al wordt de vergelijking, na een paar volgeschoten filmpjes, weer naar de Amerikaanse acteur gebracht. Naar de eindscène, wanneer George bloedend in zijn Fiat naar zijn wachtende geliefde bij het riviertje rijdt. Want ook Anton heeft het lastig. De koude en de vermoeidheid slaan toe. Tijd om de filmrolletjes in de tas op te bergen. Mijn belofte aan Antons geliefde om goed voor hem te zorgen en hem heelhuids terug te brengen, wil ik niet breken.

De eerste rit door het land van Ollanders is begonnen. Niemand op de achterbank, behalve mijn fototas. In mijn achteruitkijkspiegel zie ik achter de skyline van Den Haag oranje licht onder de donkere wolken opdoemen.

Op dat lege strand had ik nu met Anton willen staan. Hoe een ontsteking twee fotografen kan kwetsen. De één in zijn longen, de ander in zijn verlangen. Op mijn terugweg troost ik me met de gedachte van de ontmoeting met een bijzondere man en met de schoonheid van een geparkeerde bronzen Pontiac. Fotograaf zijn is lang zo slecht nog niet. Ook niet op een regenachtige dag. Zelfs niet in Nederland.