Ga naar de inhoud

03Christianne Stotijn

Een sirene in het water

Het begon bij een brief.
Dat was nog eens ouderwets. Of ik haar wilde fotograferen?
Wie schrijft er dezer dagen nog brieven in handschrift? Mensen met veel tijd of mensen met een goed hart. Op beiden ben ik jaloers.

Stotijn behoort tot de laatste categorie. Aan haar curriculum te zien is Mevrouw Stotijn een bezige bij. Berliner Philharmoniker, London Symphonic Orchestra, Chicago Symphony Orchestra, Orchestre National de France... Haar stem weerklinkt in mooie zalen. Haar specialiteit: het zingen van liederen. Mahler, Schubert, Tsjaikovski.. Zo was ik op de avond voor de fotoshoot getuige van een staande ovatie na haar optreden. Een staande ovatie moet een bijzondere ervaring zijn voor een kunstenaar: de laatste echo’s van je stembanden zijn amper uitgestorven en het zweet stroomt nog uit je poriën. Heerlijk moet dat zijn. Een fotograaf kent dit gevoel niet. Vaak gaan er dagen voorbij tussen het moment van opname en de publicatie. ‘No sudden impact’. In mijn eerste jaren als nieuwsfotograaf stond hij vaak de dag erna in de krant. Later vaak een week erna. Nu eerder maanden. Soms liggen negatieven jaren geduldig te wachten in mijn donkere kamer tot het moment dat er voor de eerste maal licht door hen gestuwd wordt op onbelicht papier.

Het moment van de climax is vaak een eenzame gebeurtenis voor de fotograaf. Want als je in een landschap staat om te fotograferen, heb je zelden iemand om dit mooie moment mee te delen. Hooguit een horizon of een boom waartegen je kunt fluisteren of schreeuwen hoe mooi ze zijn. Dat is het bijzondere aan portretfotografie. Hier kun je dit wel delen met de geportretteerde, maar altijd in voorwaardelijke zin. Want wat jij mooi vindt, vindt de geportretteerde nog niet mooi. En vaak zorgt ook de analoge fotografie ervoor dat dit mooie wonder zich achter een gesloten camerarug verstopt. Zo durf ik nooit te beweren dat ik ‘het beeld’ al heb. Deze jeugdige overmoed heb ik met de jaren wel verloren. Verkoop het vel van de beer nooit voor je hem geschoten hebt.

En zo stond ik op een vrijdagavond op een van de Nederlandse Waddeneilanden geen wilde beer te schieten, maar een sirene te fotograferen. Zingen deed de sirene niet meer zoals de avond ervoor. Het was vloeken. Niet voor een volle zaal, maar voor een Belgische fotograaf die in een warm duikerspak haar in het ijskoude water stond te fotograferen. ‘Waarom heb ik die vervloekte brief geschreven?’, zag ik haar denken. Ondergetekende kende geen medelijden. ‘Nog even volhouden’, sprak ik haar toe. Een fotograaf die bezig is, heeft namelijk geen tijdsbesef. Een poserend, onderkoeld lichaam des te meer. ‘Het licht wordt mooier’, overtuigde ik haar. ‘Het is ijskoud’, klaagde Christianne.

Ik moest denken aan Arnold Schwarzenegger toen hij halfnaakt in de koude Rocky Mountains voor Annie Leibovitz poseerde. ‘Aan de koude zul je niet meer denken als je later de foto bekijkt’, antwoordde Leibovitz koeltjes vanachter haar camera. ‘Snel nog even van lens verwisselen’, liet ik droogjes weten.

‘Ik hou het niet meer!’ riep de mezzosopraan. ‘Nog één rolletje’, meldde de fotograaf. ‘Mijn vingers zijn bevroren!’, jammerde de waternimf. ‘Je bent geen violiste of pianiste, maar een zangeres’, flitste schaamteloos door mijn hoofd. Het is vreemd hoe een ‘lieve’ fotograaf verandert in een schurk wanneer hij een prooi in zijn vizier heeft. Van geduldige visser tot bloeddorstige jager, met een camera als moordwapen en mooi licht als alibi. ‘Nog een beetje het hoofd omhoog’, smeekte ik zo charmant mogelijk.

‘Stephan, ik heb morgen een belangrijk optreden in Genève, mijn stembanden bevriezen’, schreeuwde Christianne Stotijn.

En toen gaf ik toe. Het argument van de stembanden had het gedaan. Een lichte longontsteking wil ik op mijn geweten hebben voor een goed portret. Maar een gebroken zangcarrière niet.

Het moet een vreemd gezicht geweest zijn om te zien hoe een zangeres en een fotograaf, in respectievelijk een doorweekte avondjurk en een fluorescerend duikerspak, met hun gehuurde bakfietsen in het avondlijke schemerlicht door de duinen reden op weg naar een warme douche. Aan tafel bij een fris Belgisch bier en een meeneempizza plaagde ik haar dat ze geen doorzettingsvermogen had, geen karakter en het begin van de, door haar zo gehate, diva-allures kreeg. Een week later sms’t ze me vanuit Salzburg: ‘Groot concert morgen en niet eens verkouden geworden.’ Ben ik dan toch weer te braaf geweest?