Ga naar de inhoud

05Cor Jaring

De fotograaf van het verdwenen Amsterdam

‘Ik heb twee ziektes’ zegt de oude fotograaf.
Zeeziekte en heimwee.

Had ik geen last van zeeziekte dan was ik zeeman geworden net zoals mijn voorouders.
De andere ziekte zorgde ervoor dat Cor veel in Amsterdam heeft gewerkt. ‘Ik zat nog maar op dat vliegtuig of ik wilde al naar huis. Ik miste meteen mijn Amsterdamse vrienden, de straten, de cafés.’

Zonder heimwee was hij heel de wereld rondgetrokken met zijn fototoestel. Dan waren al die prachtige foto’s van Amsterdam nooit gemaakt. Zoals de havenarbeiders in de jaren vijftig toen de haven nog in Amsterdam lag, de hoerenbuurt die nog floreerde met enkel blanke meisjes, de Provo’s in de jaren zestig, de krakersrellen, John Lenon en Yoko Ono in de bed-in in de Hilton, de rookbom tijdens het huwelijk van Koningin Beatrijs en Prins Claus...
Cor heeft het allemaal gefotografeerd, dankzij zijn twee ziektes.

Fotografen worden vaak geboren uit gebreken en tekortkomingen.

Heimwee is iets onwezelijk. Samen met Cor ben ik een van zijn grootste patiënten. Je wilt me nooit ontmoeten de avond voor een vertrek naar een verre reis. Een zagevent met  zelfmedelijden. Een man op zijn kleinst. Ik mis mijn kinderen en vrouw al terwijl we nog samen een laatste avondmaal aan het eten zijn. Belachelijke pathos. De laatste keer aan tafel met de familie, de laatste nacht met je geliefde, de laatste blik op je huis voor je de taxi inkruipt op weg naar de luchthaven. Alles is dan een laatste keer. Doodgaan ergens onderweg op een plaats die niet mijn heimat is. Het is me ooit voorspelt door een helderziende moeder van een vriend. Deze ongevraagde voorspelling was geen geschenk voor een  nieuwsgierige fotograaf. Het tast gelukkig mijn ondernemingszin niet aan, maar de gedachte ligt wel ergens verkeerd geparkeerd tegen de binnenwand van mijn hersenschors. Elke behouden terugkomst van een verre reis  is een gewonnen veldslagje op het slagveld van het bijgeloof.

Het is een wonder dat ik eigenlijk zoveel op reis ga. Heimwee is een gevoel die me dierbaar is. Een besef dat je iets waardevols moet achterlaten. Ik koester het. Er is maar één remedie voor dit euvel: fotograferen.

Niet dat Cor Jaring nooit naar de andere kant van de wereld trok, maar zijn werk is Amsterdam. Samen met Van der Elsken was hij de man die Amsterdam documenteerde wanneer Amsterdam waarschijnlijk de wildste plaats van de wereld was. Amsterdam was sex, drugs and rock and roll.
Maar dat is lang geleden. Nu lijkt Amsterdam een braaf schoothondje geworden.

Tijdens zijn dienstplicht, net na de oorlogsjaren, kwam Cor in aanraking met fotografie. Hij was tijdens zijn militaire dienst ook wielrenner en bokser. Als je zijn mooie strakke neus ziet zou je het niet meteen zeggen, maar de man heeft wel tot tweemaal toe zijn neus gebroken. Eénmaal al fietsend aan de zijde van vlaamse wielerhelden Stanneke Ockers en Poeske Scherens. En als Nederlands bokskampioen bij de militairen werd zijn neus voor de tweede maal gebroken. “Ik was kampioen en men vond geen tegenstanders meer voor me. Tot ze die sterke neger uit de marinebasis van Den Helder vonden. Ik woog 56 kg, mijn zwarte tegenstander 74kg. Als ie lachtte zag ik enkel zijn bekkie en zijn fonkelende oogjes. Effie te laat gebukt en ik werd letterlijk in het publiek gemept. Ik werd pas wakker in de kleedkamer en vroeg wanneer ik op moest.” “Het is al gebeurd Cor, het is al gebeurd” antwoordde de trainer.

Na de dienstplicht werkte Cor als walmatroos. “Heerlijke job was dat. Ik had altijd mijn uitvouwbare klapkamera bij en fotografeerde tussendoor de haven en dokwerkers. Ik was een van de jongens. Mooie koppen waren dat. Ik kende ze allemaal. Werkers waren het, klauwen uit de mouwen. Als je ziek ben, deed je dat maar op je vrije dag.”  Zonder dat hij het besefte fotografeerde Jaring een historisch document over de oude Amsterdamse haven.
Later kocht Jaring voor 400 gulden een Leica. ‘Die Leica M2 is mijn redding geweest. Zo ging ik iedere dag de straat op. Mijn werkwijze was van een symphatieke brutaliteit, ongedwongen en charmant. Met mijn groothoeklens kwam ik dicht bij de mensen en stond er lekker veel op. Iedereen was mijn vriend en Amsterdam mijn speeltuin. Ik was een straathond.’

’ Zo was ik de enige in de jaren vijftig en zestig die de hoeren mocht fotograferen. Ik haalde broodjes voor hen en mocht het wisselgeld houden. Soms  werd er me zelfs gevraagd of ik tussen hun  benen wou kijken op zoek naar schaamluizen. Jeuk in de kut. Neen, neuken heb ik er nooit gedaan.’

Ik heb een mooi leven gehad.  Mijn rug doet nu wel verschrikkelijk pijn maar ik ben gelukkig nog goed in mijn hoofd. Iedere foto, ieder negatief herinner ik mijn nog.’ Als Cor niet op straat was, dan zat ie in zijn donkere kamer. Altijd bezig zijn. Hondertwintigduizend negatieven en duizende fotoafdrukken  zitten er in zijn archief. De chemische dampen hebben zijn longen aangetast. De fotosessie werd zelfs heel even onderbroken door een hevige hoestbui die eindigde met een rochel op de stoep van zijn voordeur.

Cor Jaring dwaalt nog altijd door de straten van Amsterdam. Ik ben een zeeman zonder monsterboekje.‘Ik word oud maar ben nog altijd bezig. Terwijl mijn leefdtijdsgenoten achter hun geraniums zitten te verpieteren ga ik nog altijd de straat op.  Je komt er altijd wat tegen. Precies wat een jongen wil.’
Een mooi zicht is dat. Een fotograaf met zijn oude Leica, zijn onafscheidelijke visserspet, zijn kromme rug en zijn grijze snor. Al past het franse woord ‘moustache’ veel mooier bij Cor. Een moustache is stijlvoller, gedistingeerder. Een snor doet me denken aan vervelende flikken of pornoacteurs op rust.
Tijdens het maken van het portret vroeg ik om de moustache sierlijker te maken. Er speelde zich een mooi ritueel af. De duimen werden even met de lippen bevochtigd, hij trok aan de uiteinden van zijn moustache en de zwaartekracht was overwonnen. De linkerkant zat nog wat scheef waardoor ik impulsief met mijn vingers de grijze snorharen corrigeerde. Het was de eerste maal dat ik een andere man zijn snor aanraakte. Het deed me denken aan het verhaal van Cor bij de ouwe hoeren in de Walletjes. Snorhaar en schaamhaar, beiden lichaamsbegroeiing in de buurt van de lippen. Maar geef mij maar het mooie hoofd en de prachtige moustache van Cor. Liever dat, dan het zicht van een jeukende doos ergens in een peeskamertje aan de Walletjes. Al zullen de schaamluizen dezer dagen in de rosse buurt, met die kort geschoren kutjes,  minder overlevingkans krijgen. De schaamluizen zijn samen met de oude haven uit Amsterdam verdwenen.
Ja, de wereld verandert.

Cor Jaring  heeft een stukje van dit verleden van de ondergang gered.
Amsterdam is je dankbaar, Cor.