Ga naar de inhoud

06Drie schaatsers

Rimpels in het ijs

Ijs. Een tweeklank en een medeklinker.

Het woord waarbij iedere Nederlander aan schaatsen denkt en iedere Fries aan de Elf- stedentocht. Wij Belgen, wij denken aan ijs voor in onze gin-tonic of aan vanille-ijs in een hoorntje. IJs doet bij ons, in tegenstelling tot de Elf- stedentocht, een tocht in ons lichaam van 37 graden Celsius en smelt dan ergens onder weg in ons spijsverteringskanaal.

IJs is bevroren water. Dit fenomeen heeft iets mysterieus. Wandelen op koud water. Een wonder. Ik voel me als Jezus met bevroren voeten.
Waarom bevriest water niet op de bodem? Warmte stijgt toch? Warm water dan toch ook? En toch bevriest het bovenaan. Gelukkig maar, want anders zouden we de Elfstedentocht met duikpakken moeten schaatsen.

Al meer dan een paar maand, nog voor de eerste vriesnacht, probeerde ik Reinier Paping te contacteren om hem te fotograferen. Tevergeefs. Na een paar omwegen en een maand verder had ik uiteindelijk het privénummer gevonden. Maar het was toen al gaan vriezen. En iedere Nederlander weet wat dat betekent: Elfstedenkoorts.

Hoe langer het geleden is dat de Elfstedentocht heeft plaatsgevonden, hoe hoger de koorts. Ieder jaar lijkt de druk van de media en het publiek omgekeerd evenredig te groeien met de dikte van het ijs. De koorts doet het ijs smelten.

Het succes van dit heiligdom der schaatsen is deels door zijn zeldzaamheid en onregelmatigheid. Het is niet de mens maar de natuur die het laatste woord heeft of de Elfstedentocht doorgaat of niet. De tocht is een van de weinige dingen waar de mens God nog niet is.

Reinier Paping kon geen tijd voor me vrijmaken. Ik was al de zoveelste fotograaf/journalist die belde voor een afspraak, ze bellen zelfs uit Duitsland wist de kordate, doch vriendelijke mevrouw Paping me te vertellen. Volgende keer bel ik in de zomer. Maar de 50-jarige herdenking van de tocht der tochten van 1963 is mijn redding.Ik rijd over de Afsluitdijk op weg naar het schaatsmuseum in het Friese stadje Hindeloopen. Aan de rand van het IJsselmeer zie ik een prachtig wintertafereel. Vier zwarte silhouetten schaatsen met dezelfde cadans over een half bevroren vlakte. Reinier Paping, Jan Uitham, Jeen van den Berg en Anton Verhoeven? Zouden de vier schaatsers nog aan hun tocht der tochten bezig zijn? Natuurlijk niet. Zeker niet omdat Anton al in 1978 naar de eeuwige is vertrokken. Het is eigenlijk een wonder dat de schaatsers van het podium van 1963 nog altijd onder ons zijn. Paping 82 jaar, Uitham 88 jaar en Van den Berg 86 jaar, drie oude helden met een jongenshart. Drie kwajongens. Pienter, trots en wijs. Hun rimpels zijn als barsten of scheuren in natuurijs. ‘We worden niet oud, gewoon minder jong’, hoor ik de oudste van de drie tegen een reporter zeggen.

Het prachtige museum zit stampvol pers en oude schaatsers. Het is half elf. Terwijl iedereen een bakkie koffie drinkt, passeerde hier exact vijftig jaar geleden rond dit uur de Elfstedentocht. Hoogdag in Hindeloopen.

Oude schaatsen, prachtige foto’s en bijzondere relikwieën staan er achter glas uitgestald. Het mooiste voorwerp is een teen. Het afgevroren lichaamsdeel van Tinus Udding staat on- der een glazen stolpje. Tijdens de befaamde helletocht in 1963 had de man zijn teen door de koude verloren. Turijn heeft zijn lijkwade, Brugge het Heilige Bloed en Hindeloopen de teen van Tinus.

Schaatsen is heilig in Friesland. Bij de Elfstedentocht verliezen de Nederlanders hun protestantse nuchterheid. Pathos in Friesland is enkel toegelaten bij temperaturen onder nul.

De drie mannen worden gevierd, gelauwerd, geïnterviewd en gefotografeerd. De heldenverhalen van 1963 worden weer bovengehaald. De bittere kou, de oostenwind, het slechte ijs, de slechts 69 aangekomen schaatsers, de gruwelijke valpartijen, de beslissende demarrage, de helikopter met koningin Juliana en jonge prinses Beatrix, de bijna uit de hand gelopen finish… Iedere Nederlander kent de verhalen maar wordt ze zelden beu. Ik wacht geduldig tot de sneeuwstorm in het museum wat gaat liggen om de drie mannen apart te fotograferen en hen slechts één vraag te stellen.

Ik mag eerst Jan Uitham fotograferen, de nummer twee van 1963, ook gekend als ‘De Kampioen der Verslagenen’. Zeven deelnames aan de Elfstedentocht, nooit gewonnen. Kale kop, sterke blik, scherpe geest. Boerenzoon. In de winter was er weinig werk op de boerderij. Enkel het vee moest verzorgd worden, daarna ging hij schaatsen met zijn vader over de bevroren sloten. Of hij het gevoel koude kan omschrijven vraag ik hem. ‘Kou is onaangenaam, koeling is prettig. Weet je dat ik in de befaamde tocht van ’63 geen kou heb geleden. Ik was in topconditie en als je goed beweegt dan stroomt het bloed door tot de verste uithoeken van je lichaam. Zo wordt je lichaam nooit koud. Het werkt net als centrale verwarming.

Daarna was Reinier Paping aan de beurt. De bekende winnaar, de held van één dag en vijftig jaar. Hij excuseert voor zijn kleine oogjes. Altijd een last voor fotografen maar de deugnieterij stroomt nog uit zijn pretoogjes.

Paping kreeg voor zijn overwinning het gouden kruisje, zilveren sigarettendoosje en een tweejaarlijks abonnement op de Schaatsbaan van Deventer. De belangrijkste wedstrijd in de Nederlandse sportgeschiedenis winnen en dan dat als beloning krijgen. Dit is geen Nederlandse zuinigheid, dit is gierigheid. Maar die mannen schaatsten natuurlijk niet voor het geld. Natuurlijk heb ik dat sigarettendoosje nog. Weet je dat er ook nog een man was die me een tientje in mijn handen stopte bij mijn thuiskomst. Ik heb nooit geweten wie het was. Ik zou hem graag een briefje van tien euro teruggeven. Er zat ook een worst in mijn jas. Schaats ik heel die tocht met die worst in mijn jas en vergeet ik ze op te eten. Die laatste 70 kilometer zat ik zo in een roes. Een mengeling van euforie en vermoeidheid. Ik herinner me nog hoe mijn vrouw Joke aan de finish me in haar handen hield en zei. ‘Laat je maar hangen, doe maar niets meer.’ Deze laatste zin zou een nummer van Doe Maar kunnen zijn. Zo mooi, nietsvermoedende poëzie van een geliefde aan een finish.

‘De Kolonel’, ook bekend onder de naam Jeen van den Berg, was de derde van het trio. Onderwijzer. Scherpe neus en kin. Kranig en wijs. Hij had de Hel van het Noorden al eens tien jaar eerder gewonnen, waardoor hij een van de favorieten was. In Oudkerk was hij tegen een brug geschaatst. Ik vraag hem of hij sneeuwblindheid kan omschrijven. Je ziet niets, alles is wit. Een vage schim voor je en die probeer je dan te volgen. Mijn ogen waren bevroren. Die brug had ik niet zien aankomen. Ik bots er vol tegenop. Val neer en wil niet meer opstaan. Jan Uit- ham keerde terug en overtuigde me om door te gaan. Laat me hier maar doodgaan, zei ik nog. Maar hij hielp me overeind en we hervatten onze tocht.

Onderschat nooit de ernst waarmee er over ijs wordt gesproken in Nederland. Het is een wetenschap. IJsmeester is een eer- baar beroep in Friesland. Weerberichten worden er in de winter meer gelezen dan de Bijbel.

We weten allen dat een Nederlander over alles een mening heeft maar bij de Elfstedentocht spreken we niet alleen over een mening maar ook over een visie, een theorie, een belijdenis, een religie.

Wanneer komt de volgende Elfstedentocht is de meest ge- hoorde vraag. ‘Dat weet ik niet, maar hij komt wel dichterbij’, grapt Jan Uitham.
Neen, vreest deze ondergetekende, de Elfstedentocht komt nooit meer. Enkel de dood komt. Dat is zeker.
We worden allemaal een koud lichaam in de steeds meer opwarmende aarde.
Het is voorbij. Het ijs zal altijd barsten.
Het bevroren water blijft voor eeuwig te jong maar jullie helden worden nooit te oud.
Wij hebben het verdriet van België, jullie het verlangen van Nederland.